© 'hopey', Nathan Hope

De selfie: een niet zo jonge geschiedenis

Op 13 september 2002 postte een jonge Australiër een ietwat onscherpe foto van zijn onderlip op een forum. Na een dronken avond was hij in beschonken toestand op zijn gezicht gevallen. Zijn tanden hadden zijn lip doorboord. ‘Hopey’, want zo luidde zijn nickname op het forum, postte bij de foto zijn relaas van die avond en sloot af met de zin: ‘And sorry about the focus, it was a selfie.’ De term ‘selfie’ was geboren en ging al snel viraal. Het woord mag dan wel nieuw zijn, de handeling erachter is dat allerminst.

tekst: Mats Pylyser, Sarah Skoric (25/11/2021)

Het woord ‘selfie’ komt dus uit Australië, waar het achtervoegsel ‘-ie’ wel vaker gebruikt wordt – woorden als ‘barbie’ (barbecue) of ‘Aussie’ (Australiër) klinken ook hier bekend in de oren. Nathan Hope, zoals ‘Hopey’ bleek te heten, verklaarde later dat het gewoon een woord was dat toen al langer onder jongeren circuleerde. (1) De term raakte snel ingeburgerd in de bredere spreektaal, vond zijn weg naar officiële woordenboeken en werd in 2013 verkozen tot woord van het jaar in zowel Vlaanderen, Nederland als het Verenigd Koninkrijk. Tot daar de etymologie. Vormelijk kan je zeggen dat de selfie zich inschrijft in een lange traditie van zelfportretten, al is de selfie vandaag bovenal een manier van communiceren geworden.

Door Jan van Eyck - Web site of National Gallery, London, Publiek domein, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=11343084

Het zelfportret als genre

In de schilderkunst is het zelfportret echt een genre op zich. Waar in de oudheid en de middeleeuwen kunstenaars in de eerste plaats eerder ambachtslui waren die zelf niet echt in de schijnwerpers stonden, trad vanaf de renaissance de kunstenaar zelf meer op het voorplan. Kunstenaars gingen hun werk signeren en begonnen ook zichzelf af te beelden. Dat we vandaag op namen als Da Vinci, Dürer, Rubens en Rembrandt spontaan een gezicht kunnen kleven, hebben we vooral te danken aan hun zelfportretten. Aan de basis hiervan ligt een nieuwe, veel zelfbewustere manier van denken, waarin de individuele creativiteit van de kunstenaar centraal komt te staan. Een mecenas bestelde niet langer gewoon een fresco van het laatste avondmaal; hij bestelde de uitvoering van Leonardo Da Vinci ervan. Naast traditionele zelfportretten, portretteerden kunstenaars zichzelf soms ook in de achtergrond van hun andere werk, als grap of als een spel met de kijker, zoals Jan van Eyck zichzelf in de ronde spiegel op de achtergrond van het Arnolfiniportret schilderde of Rembrandt zichzelf stiekem in de Nachtwacht smokkelde. Vergelijk het met de cameo’s die Alfred Hitchcock maakte in zijn films.

Kunstenaars als Munch en Kahlo plaatsen zichzelf niet alleen centraal in hun zelfportretten, hun gevoelswereld is zelfs het onderwerp ervan.

Naarmate de schilderkunst evolueerde en stromingen als impressionisme en expressionisme de wereld op een veel subjectievere manier gingen weergeven, veranderde ook de aard van zelfportretten mee. Bij Edvard Munch en Frida Kahlo zijn hun zelfportretten bijvoorbeeld een heel directe weergave van hun gevoel of hun mentale toestand. Deze kunstenaars plaatsen zichzelf niet alleen centraal in deze werken, hun gevoelswereld is zelfs het onderwerp ervan geworden. Fotografe Cindy Sherman gaat in haar werk nog een stap verder. Haar verklede en geënsceneerde zelfportretten stellen genderrollen en stereotypes in vraag, niet door zichzelf te tonen maar door net zich te verhullen. Zelf zegt ze daarover: ‘Ik sta redelijk afstandelijk tegenover hoe ik er uit zie op mijn beelden. Ik vraag me nooit af of deze personages flatterend zijn voor mij, omdat ik het niet bekijk alsof ik dat ben.’ (2)

Edvard Munch, 'The Night Wanderer' (1924)
Eerste fotografische portret, Robert Cornelius (1839)

De rol van de techniek

Binnen een medium als fotografie speelt ook de techniek een rol. Om tot een smartphone met omkeerbare camera en autofocus te komen heeft de fotografie een lange weg afgelegd. Opmerkelijk is dat het oudste bekende fotografische portret, een zelfportret is. De Amerikaanse fotopionier Robert Cornelius maakte de foto waarschijnlijk als een soort technische test. Omdat de belichtingstijd voor één foto in 1839 nog meerdere minuten bedroeg, had Cornelius bovendien geen zelfontspanner nodig: hij kon gewoon de lenskap open zetten en gaan zitten, zonder in beeld een spoor na te laten. De wat vreemde cadrage van de foto geeft wel aan dat het maken van een selfie in die tijd vooral mikken en hopen was. Ook Van Gogh schilderde meer dan 35 zelfportretten in zijn leven, vaak als technische oefening met het enige model dat altijd voor handen was en hem niets kostte: zichzelf. Niet elk zelfportret hoeft dus een teken van ijdelheid te zijn.

Ook in de 19e eeuw was er een enorme drang bij mensen om zichzelf te laten portretteren; fotostudio's schoten als paddestoelen uit de grond.

Zelf fotograferen was in de 19e eeuw voor de meeste mensen geen optie, omdat het erg duur en technisch was. Nog geen selfies dus, maar de drang om zich te laten portreteren was bij het brede publiek wel erg groot. Fotostudio’s vulden massaal dat gat in de markt en schoten in het midden van de jaren 1850 in de grote steden als paddestoelen uit de grond. In andere regio’s reisden studio’s rond met paard en kar. Toen film als drager in 1889 de glasplaat verving, schoot de fotografie in een gigantische stroomversnelling. Camera’s werden goedkoper en mobieler. Een nieuwe groep fotografen ging op verkenning met de mogelijkheden van deze toestellen en stelde zich als vanzelf ook de vraag: hoe kan ik mezelf fotograferen? Net als Jan van Eyck gingen mensen al snel creatief aan de slag met spiegels en reflecties, van spiegelselfies in de fitness anno 2021 tot de zelfportretten van Vivian Maier. Anderen testten zelfs in de vroege 20e eeuw al de mogelijkheden voor zelfportretten door de camera op armlengte te houden. In 1900 kwam de Kodak Brownie op de markt, een eenvoudig en goedkoop toestel dat van fotografie echt een massaproduct maakte. Nauwelijks twee jaar later waren de eerste zelfontspanners er al. De drang van een fotograaf om zelf mee op de foto te staan is dus allesbehalve een recent fenomeen.

Eerste groepsselfie, Joseph Byron (1920)
©Tony Alter (CC BY 2.0)

Geen woorden maar selfies

Uiteraard zijn er duidelijke raakvlakken tussen zelfportretten en selfies – beiden zijn immers beelden van iemand die zichzelf portretteert. Toch zijn er ook duidelijke verschillen. Woordenboeken leggen in hun definities van het woord ‘selfie’ meteen de link met het posten ervan op sociale media. Wie een selfie maakt heeft daar doorgaans zelden artistieke ambities mee. Selfies dienen om momenten en herinneringen vast te leggen, om dingen uit jouw leven te delen met vrienden en familie, om je zelfvertrouwen te boosten met de likes die je krijgt… Kortom, het zijn beelden om mee te communiceren.

Ook al gaan er veel instagram-filters en enscenering schuil achter het creatieproces van een foto, fotografie heeft toch nog altijd een hoge geloofwaardigheid bij mensen. Dat maakt van de camera op je smartphone de ideale tool om jouw leven mee te documenteren en erover te communiceren. De boodschappen die we versturen zijn echter niet anders dan 20 of 100 jaar geleden. Wanneer je vanop vakantie in Parijs je moeder via WhatsApp een selfie stuurt bij de Eiffeltoren, vertelt dat eigenlijk hetzelfde als een ansichtkaartje met daarop: ‘Alles goed hier, groetjes uit Parijs’. 

Een selfie bij de Grand Canyon zegt: ‘ik ben hier geweest’, net zoals je jouw naam daar in een boom zou kerven, een stukje rots zou meepakken of een magneet zou kopen voor op de ijskast.

Waar mensen vroeger een handtekening vroegen aan hun idool om aan vrienden te tonen dat ze hem of haar echt ontmoet hadden, gaan ze er nu mee op de foto. Likes krijgen op een selfie met een nieuw t-shirt is in se niet anders dan complimentjes krijgen van vrienden in real life. Een selfie bij de Grand Canyon zegt: ‘ik ben hier geweest’, net zoals je jouw naam daar in een boom zou kerven, een stukje rots zou meepakken of een magneet zou kopen voor op de ijskast. Misschien zat er bij de rotsschilders in de grotten van Lascaux zelfs een zelfde motivatie achter toen ze hun eigen handafdrukken achterlieten op de rotswand. Of ze nu spontaan zijn of geënsceneerd, een selfie maakt een belevenis op een bepaalde manier tastbaar, persoonlijk en echt.

Hoe we in deze digitale tijden dingen doen en communiceren is veranderd, maar de motivatie erachter of de boodschap die we brengen is dat niet. De selfie is gewoon een heel dankbare, makelijke manier om zonder woorden te communiceren over wat we doen, met wie we dat doen, hoe het met ons gaat en wie we zijn of zouden willen zijn, met een smartphone die we altijd binnen handbereik hebben. Of op armlengte natuurlijk.

_______

 

Referenties:

(1) Ben ZImmer, 'No, a Drunken Australian Man Did Not Coin the Word Selfie' (Slate, 22/11/2013)
(2) Simon Hattenstone, 'Cindy Sherman: Me, myself and I' (The Guardian, 15/1/2011)